Vliegende baby’s

Laat ik, voordat ik mijn verhaal begin, een ding voorop stellen: ik heb niks tegen baby’s. Ze zijn heus super leuk en lief en zacht. Meer dan de helft van mijn vrienden heeft ook al baby’s, of is er druk mee bezig om ze te maken. Moeten zij weten. Ik vind het prima om ze even vast te houden, de fles te geven of om er even mee te spelen. Een half uurtje, of zo. Echt te gek allemaal hoor. En wie weet, als ik later groot ben, neem ik er zelf ook een paar. Je weet maar nooit.

Mijn vrienden met baby’s (of peuters of kleuters) kunnen het ook helemaal nergens anders meer over hebben. Helemaal high van de Zwitsal duwen ze de een na de andere foto van hun kroost onder je ogen. ‘Wat zijn ze mooi he!’, klinkt het dan. Ik denk daar dan het mijne van, maar ik houd het wel voor me. Als je mensen echt wil kwetsen moet je iets negatiefs over hun wondertje zeggen. Dus zelfs als je denkt dat ze per ongeluk een foto van iets uit de Efteling laten zien: gewoon lief glimlachen.

Vanaf het moment dat zo’n ding geboren wordt veranderen mensen totaal. Je moet 100% van je tijd, aandacht en geld in de baby steken, want zelf kunnen ze nog niet zoveel. Dat heeft de natuur heel mooi geregeld met hormonen en zo, zodat ouders echt geloven dat hun kind het allermooiste ooit is, en er meteen van gaan houden. Liefde maakt gelukkig stekeblind. 

Er is echter een ding wat ik nooit zo goed heb begrepen: baby’s in vliegtuigen. En dan heb ik het niet over mensen met familie in het buitenland, waar een oma of opa nog maar heel kort de kans heeft om het jongste kleinkindje in het echt te zien. Dat snap ik wel. Ik heb het over de stelletjes die denken dat een kindje van één of twee jaar oud het echt leuker vindt op Ibiza dan in de zandbak in het Sarphatipark. Mensen die denken dat het nodig is om daar met wezentjes heen te gaan die alleen maar bezig zijn met slapen en eten. En krijsen. Baby’s die echt niet gaan zeggen als ze groot zijn: ‘Weet je nog? Toen ik anderhalf jaar oud was? Wat hadden we het toen leuk op Bali he! Het was het zeker wel waard om twee keer twaalf uur lang last van m’n oortjes te hebben hoor!’ 

En het is zo normaal blijkbaar. Iedereen die een keer met een van de prijsvechters binnen Europa heeft gevlogen weet waar ik het over heb. Een typische Transavia vlucht, eentje met zo’n lekker hoog Almere-gehalte, heeft vaak al meer dan 20 kindjes van onder de drie jaar oud aan boord. Dat is bijna 10% van de capaciteit. Die worden echt niet bij elkaar gezet. Nee hoor, die worden keurig over het vliegtuig verdeeld, zodat iedereen even veel last van ze heeft. Dat is wel zo eerlijk.  

Een paar weken terug had ik het geluk om ruim 2,5 uur naast zo’n zoetje te mogen zitten. In de vertrekhal had ik het gezinnetje al gespot. Hij, een jaar of 35, blauw met wit gestreept net iets te groot overhemd en zeer hippe stekeltjes, had duidelijk nooit echt kinderen gewild. Zij, ongeveer even oud, witte broek met hoge leren laarzen (best chill in een vliegtuig, laarzen) en bijna hetzelfde kapsel als haar vriend, gaf ook niet echt de indruk dat zij degene was die het kinderen nemen er thuis doorheen had gedrukt. Ze hadden een klein blond meisje van een paar jaar oud bij zich. Twee mooie vlechtjes met roze strikjes aan beide kanten van haar, eerlijk is eerlijk, erg knappe koppie. Ze zag er zeer schattig uit. 

Helaas bedriegt de schijn wel eens. Het meisje was namelijk een beetje moe. Nogal logisch om tien uur in de avond, na een week op een eiland met, zo op het oog, niet al te gelukkige ouders. Ze deed dan ook wat alle kinderen doen als ze moe zijn: druk. Heel druk zelfs. De vader liet het gelaten gebeuren. De moeder was meer bezig met de apathie van de vader dan met haar dochtertje. ‘Doe jij nou ook eens wat Willem!’ klonk het. Willem deed net of hij het niet hoorde. Het kindje begon zachtjes te jengelen.

Een uurtje later mochten we het vliegtuig in. Omdat ik helemaal vooraan zat, hoefde ik pas op het laatst in te stappen, samen met de andere mensen die vooraan mochten. Terwijl ik de slurf van het vliegtuig inliep hoorde ik vanaf de gate een inmiddels bekende stem: ‘Willem! Hou jij d’r nou ook even vast!’ Heel even had ik medelijden met Willem, dat zou alleen niet lang duren.

Toen ik eenmaal zat, boek op schoot en klaar voor de vlucht, hoorde ik weer die bekende stem, nu vlak achter me. ‘Willem, ik meen het hoor, jij gaat ook wat doen vandaag! Hier!’ Het zachte gejengel verplaatste zich van van mijn rechter- naar mijn linkeroor toe. Het was zacht omdat de speen die ze in haar mond had als een soort geluidsdemper werkte. Gelukkig besloot ze nog voor de start dat ze speen niet meer wilde, en kon ik haar meteen een stuk beter horen. 

Willem bleek, op zijn zachtst gezegd, niet bepaald een bekwaam vader. Zijn onhandige pogingen om de speen weer op de juiste plek te krijgen zorgden er alleen maar voor dat zijn dochtertje nog onhandelbaarder werd. Tussen het gehuil door hoorde ik om de zoveel tijd een smekend ‘mama’. Willem zag zijn kans schoon: ‘Ze wil echt bij jou hoor, schat.’ Het geluid verschoof weer naar rechts. 

Wat volgde was een rally van bijna een uur, waarbij het kind nooit langer dan vijf minuten bij een van de twee ouders in de armen bleef. Een stewardess die het gezucht en boze gestaar van de passagiers eromheen niet langer kon aanzien, besloot zich er toch maar even mee te bemoeien. ‘Misschien dat ze in slaap kan vallen als ze wat langer bij een van jullie mag blijven liggen?’ Willem bleek een ware opportunist: ‘Zie je nou wel, hou jij d’r maar even goed vast dan.’ Tien minuten later was het warempel stil. Nou ja, betrekkelijk stil dan. Even verderop in het vliegtuig waren natuurlijk nog meer baby’s niet bepaald blij met hun situatie.

Na zowaar een half uurtje gelezen te hebben, was het opeens klaar met de rust. De piloot had de daling ingezet. Dat merkte ik al vrij snel aan mijn oren. Niet zozeer vanwege de druk, maar door het weer aanzwellende gejengel. Het spel achter me begon meteen weer. ‘Willem, hé Willem… jij weer eventjes nu…’ siste ze. Willem had besloten net te doen alsof hij in coma lag. Hij was blijkbaar zo moe van een week vakantie dat hij dwars door het gehuil en geblaas van zijn twee oogappeltjes heen kon slapen. Een van de andere passagiers was het nu echt zat. Een zware harde stem met een plat Amsterdams accent schalde door de cabine. ‘Hé Willem, pannenkoek, wakker worden man!’ Willem ontwaakte spontaan uit zijn coma. ‘Huh wat? Oh ja sorry ik sliep… Haha…’, lachte hij schaapachtig. Willem pakte zijn kind met frisse tegenzin weer over. Het gejengel werd er niet minder op.

Een lang uurtje later waren we geland en ging de deur van de cabine open. Iedereen kon eindelijk uitstappen. We schoten werkelijk naar buiten. Bij de bagageband werd Willem en zijn vriendin door geen van de andere passagiers een blik gegund. Behalve dan door de andere mensen met baby’s. Die knikten heel begripvol.

Beste Willems van deze wereld, mag ik jullie namens alle mensen zonder baby’s een tip geven? Center Parcs is veel leuker voor kleine kinderen. En je kan er ook nog eens met de auto naar toe.

-Illustratie door Charlotte Greeven (http://pupcreativeagency.com/)